Evolutionisme versus Creationisme

Of is er nog een derde weg mogelijk?



Onderstaande is een samenvatting van een conceptversie van een hoofdstuk uit een boek van prof.dr.ir. E. Schuurman; het draagt dus een voorlopig karakter. Mijn vragen en commentaar op zijn verhaal heb ik zoveel mogelijk in de  voetnoten weergegeven.
 
Erwin Baas, 27 november 1997, tel 070 3934337, email baas@iri.tudelft.nl

1. De beperktheid van het denken1

Voordat op het spanningsveld van de titel wordt ingegaan, wordt eerst aangegeven waarom het menselijk denken beperkt is. Vanuit de Christelijke filosofie komen twee velden naar voren, waaruit die beperktheid blijkt.
Allereerst is dat het veld van de grondvragen en de grensproblemen van de filosofie. Begrippen als ‘tijd’ en ‘leven’ zijn niet filosofisch te definiëren; omdat wij altijd in de tijd en het leven leven, je kunt er niet boven gaan staan, wat nodig is wil je een begrip kunnen definiëren. Het is natuurlijk wel mogelijk om over die begrippen na te denken en vol verwondering tot de erkenning van de grenzen te komen.
Het tweede veld betreft de heelheid van de schepping; die is niet te reconstrueren. Een deconstructie lukt nog wel: je projecteert de heelheid op een aspect van de werkelijkheid2 . Het wetenschappelijk denken is altijd een abstractie, daarmee heb je dus iets van de werkelijkheid weggegooid. Zo zit er in de schepping het unieke van elke individu maar ook het universele zoals bijvoorbeeld beschreven met natuurwetten. Je kunt die beide polen alleen recht doen als je de grenzen van het denken aanvaardt. Een ander probleem is de verhouding tussen tijd en eeuwigheid. Het is te beperkt om eeuwigheid in termen van tijd te beschrijven. We moeten hier halt houden en ons verwonderen over het geheim. We kunnen wel proberen het geheim te onthullen, maar dat leidt altijd weer tot een volgend geheim (het lijkt wel op de zoektocht naar de fundamentele deeltjes). Dit beperkt dan ook de wetenschap; ze moet zich beperken tot het ‘nu’3  en niet terug proberen te gaan naar het ontstaan of vooruitgrijpend proberen de zin van alles te achterhalen.

2. De gelaagdheid van het denken

Wetenschap gaat altijd uit van een aantal vooronderstellingen, een bepaald geloof dus. De vraag is wat die vooronderstellingen zijn.
Al het menselijk kennen is gebaseerd op een bepaald grondvertrouwen in de kenbaarheid van de werkelijkheid of geloof. Dan heeft de mens allereerst de alledaagse, primaire kennis, die vol en concreet is. Daaruit wordt de wetenschappelijke, secundaire kennis afgeleid, die is abstract en begrensd. Doordat men het geloof steeds meer verloren heeft en daarentegen wel de kracht en de algemeengeldigheid van de wetenschappelijk kennis ervoer, heeft de secundaire kennis het geloof steeds meer verdrongen, waardoor een soort wetenschapsgeloof is ontstaan. Vanuit de wetenschap wordt het geloof gereconstrueerd; je zou dit dus reconstructief denken kunnen noemen, wat allesbeheersend is geworden.
Dit neemt niet weg dat de wetenschap als secundaire kennis nog steeds heel fascinerend is. Wel moet haar open en voorlopig karakter benadrukt worden, want de wetenschapper is zelf ook een schepsel en zit daardoor in een gesloten systeem, zodat hij een fundering van buitenaf nodig heeft.
Het geloof kan dus niet wetenschappelijk achterhaald worden. Geloofskennis is dus iets wat van ‘buitenaf’ gegeven, geopenbaard moet worden4. Uit de Goddelijke openbaring leren we (1) dat de wereld een goddelijke oorsprong heeft, (2) dat vervolgens de zonde in de wereld gekomen is en (3) dat God door het offer van zijn Zoon verlossing geeft en (4) heelmaking bewerkt. Deze openbaringskennis gaat vooraf aan het menselijk denken; het is iets wat we niet als mensen zelf bedacht zouden kunnen hebben, waar we als mensen niet naar vragen. Een wetenschappelijk-technische denkreconstructie als de evolutietheorie miskent dit hart van het evangelie.

3. Het Creationisme

Het Creationisme maakt eigenlijk de zelfde fout als het Evolutionisme, want het zijn beiden positivistische modellen, alleen de eerste is een scheppingsmodel. Het is echter onmogelijk de schepping te reconstrueren. De Wet, of de Scheppingsorde, is de grens tot waar ons wetenschappelijk kennen kan gaan5, daarachter ligt het terrein van het geloven. Het is dus zinloos een strijd te voeren tussen twee wetenschappelijke concepties, je moet erkennen dat het om twee verschillende geloven gaat. Het Creationisme maakt een abstract wetenschappelijke interpretatie van de bijbel, t.g.v. een verkeerde visie op de bijbel: de wetenschap is voor hun sleutel voor de interpretatie van de bijbel i.p.v. andersom. Het is ook niet mogelijk ‘wonderen’ wetenschappelijk te verklaren, want de geloofswaarheid is niet te identificeren met de wetenschappelijke waarheid6.

4. De bijbelse verhalen en de wetenschap

Hoe moeten we dan wel tegen bijbelverhalen als de schepping aankijken? We moeten niet uitgaan van gewone dagen. God spreekt in menselijke bewoordingen7 die heenwijzen naar de Goddelijke werkelijkheid. Ook de tijd is Scheppingsorde en vormt zo een grens voor de wetenschap8. De wetenschap kan zich alleen maar richten op de voltooide schepping en wel, na de ontwrichting door de zonde. En dan nog kan de wetenschap niet de volheid van het geschapene -het ‘zin-zijn’-  doorgronden, ze blijft staan voor het geheim van de ‘creatura’.
De invloed van de zondvloed op de wereld kan niet ontkend worden, daarmee moet rekening worden gehouden in hypothesen. Overigens weten we niet wat de reikwijdte en de gevolgen van de zondvloed zijn geweest. Creationisten vinden wel allerlei aanwijzingen voor de zondvloed, maar houden er niet rekening mee voor wat betreft hun visie op de mogelijkheid om de schepping nu nog te kunnen reconstrueren. Als er echter een zo grote discontinuïteit is geweest, wat voor gevolgen heeft die misschien ook niet gehad voor allerlei andere natuurwetten?9

5. Schepping en herschepping

De scheppingsdaad is het licht voor de wetenschap, maar de wetenschap kan niet het licht zelf onderzoeken. Hetzelfde geldt voor de herschepping, zoals bijv. de opstanding uit de dood, die overstijgt de huidige gebrokenheid. Het geloof in Christus’ herscheppingswerk heeft veel voor de wetenschap te betekenen: het toont haar rijkdom, begrensdheid en zinsperspectief. Het moet in wetenschap ook om de erkenning van die zin gaan.
Uiteindelijk is de keus dus niet tussen Creationisme en Evolutionisme, maar we moeten de beperktheid van de wetenschap inzien en erkennen dat zij gegrond is op geloof. Het Christelijk geloof geeft aan dat het wetenschappelijk kennen altijd beperkt en voorlopig is, maar ze geeft ook een toekomstperspectief van een herstelde schepping10.


Noten

     
  1. De overschatting van het denken is al ruimschoots geproblematiseerd binnen de filosofie. Er zijn allerlei kentheorieën in omloop en het waarheidsvraagstuk duikt ook iedere keer weer op, omdat men iedere keer kennis en waarheid probeert de funderen vanuit het denken zelf. Dat blijkt iedere keer onmogelijk. Je moet bepaalde aannames maken die dan vervolgens hun waarheid of adequaatheid moeten bewijzen. Het geloof dat de werkelijkheid geschapen en aan de mens gegeven is, is ook zo’n vooronderstelling die in ieder geval verweer biedt tegen het solipsisme.
  2. In wiskundige formule vorm zou het er alsvolgt uitzien: W=CH , waarin W de wetenschappelijke kennis is, H de heelheid van de schepping en C een soort denkoperator waarmee een projectie op het wetenschappelijke vlak wordt gemaakt. is C dan niet inverteerbaar, d.w.z. je kunt niet de vergelijking H=C-1W  oplossen. N.B. H en W moeten wel op  elkaar zijn te ‘fitten’. Je kan met een bal ook geen vierkante schaduw maken en een vierkante schaduw vertelt je dat het geen projectie van een bal kan zijn. Of, om tot de pointe van dit hoofdstuk door te dringen, ik geloof niet dat God fossielen in de grond heeft gestopt om de nieuwsgierige wetenschappers te misleiden.
  3. Dit is problematisch, omdat wetenschap altijd generaliseert en dus ook extrapolaties maakt in de tijd.
  4. Hoe kan nu die openbaring bevraagd worden? Wat vertelt ze wel, wat niet? Is er wel een eenduidige interpretatie/betekenis van die openbaring?
  5. Is de verstaanbaarheid van de werkelijkheid geen grondvertrouwen dat beide ‘geloven’ delen? Wordt de grens zo niet te massief geponeerd; er moet toch wel ruimte zijn voor immanente kritiek? Waarom is een ‘logische harmonie’ tussen geloof en wetenschap onmogelijk?
  6. O.K. Ze zijn niet te identificeren met elkaar, maar ze moeten wel een zekere overlap met elkaar hebben. D.w.z. in de schepping moet iets terug te vinden zijn van de Schepper. Of is dat helemaal door de zonde uitgewist? Maar dan zou je toch nog wel terugwijzingen moeten kunnen vinden naar de paradijselijke toestand?
  7. Vergelijkbaar met Calvijns accommodatie theorie. Het moeilijke is, dat je zelf moet bepalen wat waarheid en wat geaccommodeerd is, hoe is dat in te bakenen?
  8. Is er dan nog wel ruimte voor een relativiteitstheorie? Kan je niet van alle ‘natuurwetten’ en dimensies hetzelfde zeggen als van tijd? Of moet er nu een genuanceerd onderscheid gemaakt worden tussen de alledaagse werkelijkheid van de tijd en het wetenschappelijk begrip tijd?
  9. Dit is allemaal wel wat suggestief geformuleerd. Omdat we de reikwijdte van de zondvloed niet weten is het misschien beter dat we eerst proberen uit te zoeken wat daar wel van te zeggen is, voordat we er iets uit kunnen halen voor de hypothesen van het onderzoek.
  10. Hoewel ik het hiermee zeker eens ben, is de formulering in de concept tekst me te antithetisch. Voor een open debat tussen  wetenschapsgelovigen en Christenen is een gezamenlijk vlak nodig waarop de discussie betrekking heeft, het moet geen bestoken vanuit eigen stellingen worden (vgl. J. Klapwijk….)

  11.