Evolutionisme versus Creationisme
Of is er nog een derde weg mogelijk?
Onderstaande is een samenvatting van een conceptversie
van een hoofdstuk uit een boek van prof.dr.ir. E. Schuurman; het draagt
dus een voorlopig karakter. Mijn vragen en commentaar op zijn verhaal heb
ik zoveel mogelijk in de voetnoten weergegeven.
1. De beperktheid van het denken1
Voordat op het spanningsveld van de titel wordt ingegaan, wordt eerst aangegeven
waarom het menselijk denken beperkt is. Vanuit de Christelijke filosofie
komen twee velden naar voren, waaruit die beperktheid blijkt.
Allereerst is dat het veld van de grondvragen en de grensproblemen
van de filosofie. Begrippen als ‘tijd’ en ‘leven’ zijn niet filosofisch
te definiëren; omdat wij altijd in de tijd en het leven leven, je
kunt er niet boven gaan staan, wat nodig is wil je een begrip kunnen definiëren.
Het is natuurlijk wel mogelijk om over die begrippen na te denken en vol
verwondering tot de erkenning van de grenzen te komen.
Het tweede veld betreft de heelheid van de schepping; die is niet te
reconstrueren. Een deconstructie lukt nog wel: je projecteert de heelheid
op een aspect van de werkelijkheid2 . Het
wetenschappelijk denken is altijd een abstractie, daarmee heb je dus iets
van de werkelijkheid weggegooid. Zo zit er in de schepping het unieke van
elke individu maar ook het universele zoals bijvoorbeeld beschreven met
natuurwetten. Je kunt die beide polen alleen recht doen als je de grenzen
van het denken aanvaardt. Een ander probleem is de verhouding tussen tijd
en eeuwigheid. Het is te beperkt om eeuwigheid in termen van tijd te beschrijven.
We moeten hier halt houden en ons verwonderen over het geheim. We kunnen
wel proberen het geheim te onthullen, maar dat leidt altijd weer tot een
volgend geheim (het lijkt wel op de zoektocht naar de fundamentele deeltjes).
Dit beperkt dan ook de wetenschap; ze moet zich beperken tot het ‘nu’3
en niet terug proberen te gaan naar het ontstaan of vooruitgrijpend proberen
de zin van alles te achterhalen.
2. De gelaagdheid van het denken
Wetenschap gaat altijd uit van een aantal vooronderstellingen, een bepaald
geloof dus. De vraag is wat die vooronderstellingen zijn.
Al het menselijk kennen is gebaseerd op een bepaald grondvertrouwen
in de kenbaarheid van de werkelijkheid of geloof. Dan heeft de mens allereerst
de alledaagse, primaire kennis, die vol en concreet is. Daaruit wordt de
wetenschappelijke, secundaire kennis afgeleid, die is abstract en begrensd.
Doordat men het geloof steeds meer verloren heeft en daarentegen wel de
kracht en de algemeengeldigheid van de wetenschappelijk kennis ervoer,
heeft de secundaire kennis het geloof steeds meer verdrongen, waardoor
een soort wetenschapsgeloof is ontstaan. Vanuit de wetenschap wordt het
geloof gereconstrueerd; je zou dit dus reconstructief denken kunnen
noemen, wat allesbeheersend is geworden.
Dit neemt niet weg dat de wetenschap als secundaire kennis nog steeds
heel fascinerend is. Wel moet haar open en voorlopig karakter benadrukt
worden, want de wetenschapper is zelf ook een schepsel en zit daardoor
in een gesloten systeem, zodat hij een fundering van buitenaf nodig heeft.
Het geloof kan dus niet wetenschappelijk achterhaald worden. Geloofskennis
is dus iets wat van ‘buitenaf’ gegeven, geopenbaard moet worden4.
Uit de Goddelijke openbaring leren we (1) dat de wereld een goddelijke
oorsprong heeft, (2) dat vervolgens de zonde in de wereld gekomen is en
(3) dat God door het offer van zijn Zoon verlossing geeft en (4) heelmaking
bewerkt. Deze openbaringskennis gaat vooraf aan het menselijk denken; het
is iets wat we niet als mensen zelf bedacht zouden kunnen hebben, waar
we als mensen niet naar vragen. Een wetenschappelijk-technische denkreconstructie
als de evolutietheorie miskent dit hart van het evangelie.
3. Het Creationisme
Het Creationisme maakt eigenlijk de zelfde fout als het Evolutionisme,
want het zijn beiden positivistische modellen, alleen de eerste
is een scheppingsmodel. Het is echter onmogelijk de schepping te reconstrueren.
De Wet, of de Scheppingsorde, is de grens tot waar ons wetenschappelijk
kennen kan gaan5, daarachter ligt het terrein
van het geloven. Het is dus zinloos een strijd te voeren tussen twee wetenschappelijke
concepties, je moet erkennen dat het om twee verschillende geloven gaat.
Het Creationisme maakt een abstract wetenschappelijke interpretatie van
de bijbel, t.g.v. een verkeerde visie op de bijbel: de wetenschap is voor
hun sleutel voor de interpretatie van de bijbel i.p.v. andersom. Het is
ook niet mogelijk ‘wonderen’ wetenschappelijk te verklaren, want de geloofswaarheid
is niet te identificeren met de wetenschappelijke waarheid6.
4. De bijbelse verhalen en de wetenschap
Hoe moeten we dan wel tegen bijbelverhalen als de schepping aankijken?
We moeten niet uitgaan van gewone dagen. God spreekt in menselijke bewoordingen7
die heenwijzen naar de Goddelijke werkelijkheid. Ook de tijd is Scheppingsorde
en vormt zo een grens voor de wetenschap8.
De wetenschap kan zich alleen maar richten op de voltooide schepping en
wel, na de ontwrichting door de zonde. En dan nog kan de wetenschap niet
de volheid van het geschapene -het ‘zin-zijn’- doorgronden, ze blijft
staan voor het geheim van de ‘creatura’.
De invloed van de zondvloed op de wereld kan niet ontkend worden, daarmee
moet rekening worden gehouden in hypothesen. Overigens weten we niet wat
de reikwijdte en de gevolgen van de zondvloed zijn geweest. Creationisten
vinden wel allerlei aanwijzingen voor de zondvloed, maar houden er niet
rekening mee voor wat betreft hun visie op de mogelijkheid om de schepping
nu nog te kunnen reconstrueren. Als er echter een zo grote discontinuïteit
is geweest, wat voor gevolgen heeft die misschien ook niet gehad voor allerlei
andere natuurwetten?9
5. Schepping en herschepping
De scheppingsdaad is het licht voor de wetenschap, maar de wetenschap kan
niet het licht zelf onderzoeken. Hetzelfde geldt voor de herschepping,
zoals bijv. de opstanding uit de dood, die overstijgt de huidige gebrokenheid.
Het geloof in Christus’ herscheppingswerk heeft veel voor de wetenschap
te betekenen: het toont haar rijkdom, begrensdheid en zinsperspectief.
Het moet in wetenschap ook om de erkenning van die zin gaan.
Uiteindelijk is de keus dus niet tussen Creationisme en Evolutionisme,
maar we moeten de beperktheid van de wetenschap inzien en erkennen dat
zij gegrond is op geloof. Het Christelijk geloof geeft aan dat het wetenschappelijk
kennen altijd beperkt en voorlopig is, maar ze geeft ook een toekomstperspectief
van een herstelde schepping10.
Noten
-
De overschatting van het denken is al ruimschoots geproblematiseerd
binnen de filosofie. Er zijn allerlei kentheorieën in omloop en het
waarheidsvraagstuk duikt ook iedere keer weer op, omdat men iedere keer
kennis en waarheid probeert de funderen vanuit het denken zelf. Dat blijkt
iedere keer onmogelijk. Je moet bepaalde aannames maken die dan vervolgens
hun waarheid of adequaatheid moeten bewijzen. Het geloof dat de werkelijkheid
geschapen en aan de mens gegeven is, is ook zo’n vooronderstelling die
in ieder geval verweer biedt tegen het solipsisme.
-
In wiskundige formule vorm zou het er alsvolgt uitzien:
W=CH , waarin W de wetenschappelijke kennis is, H de heelheid van
de schepping en C een soort denkoperator waarmee een projectie op het wetenschappelijke
vlak wordt gemaakt. is C dan niet inverteerbaar, d.w.z. je kunt niet de
vergelijking H=C-1W oplossen. N.B. H en W moeten
wel op elkaar zijn te ‘fitten’. Je kan met een bal ook geen vierkante
schaduw maken en een vierkante schaduw vertelt je dat het geen projectie
van een bal kan zijn. Of, om tot de pointe van dit hoofdstuk door te dringen,
ik geloof niet dat God fossielen in de grond heeft gestopt om de nieuwsgierige
wetenschappers te misleiden.
-
Dit is problematisch, omdat wetenschap altijd generaliseert
en dus ook extrapolaties maakt in de tijd.
-
Hoe kan nu die openbaring bevraagd worden? Wat vertelt
ze wel, wat niet? Is er wel een eenduidige interpretatie/betekenis van
die openbaring?
-
Is de verstaanbaarheid van de werkelijkheid geen grondvertrouwen
dat beide ‘geloven’ delen? Wordt de grens zo niet te massief geponeerd;
er moet toch wel ruimte zijn voor immanente kritiek? Waarom is een ‘logische
harmonie’ tussen geloof en wetenschap onmogelijk?
-
O.K. Ze zijn niet te identificeren met elkaar, maar
ze moeten wel een zekere overlap met elkaar hebben. D.w.z. in de schepping
moet iets terug te vinden zijn van de Schepper. Of is dat helemaal door
de zonde uitgewist? Maar dan zou je toch nog wel terugwijzingen moeten
kunnen vinden naar de paradijselijke toestand?
-
Vergelijkbaar met Calvijns accommodatie theorie. Het
moeilijke is, dat je zelf moet bepalen wat waarheid en wat geaccommodeerd
is, hoe is dat in te bakenen?
-
Is er dan nog wel ruimte voor een relativiteitstheorie?
Kan je niet van alle ‘natuurwetten’ en dimensies hetzelfde zeggen als van
tijd? Of moet er nu een genuanceerd onderscheid gemaakt worden tussen de
alledaagse werkelijkheid van de tijd en het wetenschappelijk begrip tijd?
-
Dit is allemaal wel wat suggestief geformuleerd. Omdat
we de reikwijdte van de zondvloed niet weten is het misschien beter dat
we eerst proberen uit te zoeken wat daar wel van te zeggen is, voordat
we er iets uit kunnen halen voor de hypothesen van het onderzoek.
-
Hoewel ik het hiermee zeker eens ben, is de formulering
in de concept tekst me te antithetisch. Voor een open debat tussen
wetenschapsgelovigen en Christenen is een gezamenlijk vlak nodig
waarop de discussie betrekking heeft, het moet geen bestoken vanuit eigen
stellingen worden (vgl. J. Klapwijk….)